Stijlkarakteristiek

Stijlkarakteristiek

Willem Cornelis de Groot heeft eerst als timmerknecht en spoedig als opzichter bij architect Jacob Izaaks Douma mee moeten doen aan de menging van neostijlen die eclecticisme wordt genoemd. Daarbij werden rond het midden van de negentiende eeuw schema’s en motieven van vooral de renaissance en het classicisme gebruikt om gebouwen op te sieren. Alle toen in Friesland werkzame architecten pasten deze stijl toe. Zo heeft De Groot, omdat zijn patroon Douma een zwakke gezondheid had, meegewerkt aan de reeks van vier herenhuizen aan de Zuidergrachtswal 2, 3, 4 en 5 die kenmerkend eclectisch zijn. Nadat Douma in 1881 overleed, ging De Groot zijn eigen weg. Hij koos voor de neorenaissance, de stijl die teruggreep naar de bouwkunst van de Gouden Eeuw. Het poortgebouw aan de Grote Kerkstraat en het interieur van de Noorderkerk in Leeuwarden maakten dit in 1888 duidelijk. Het spoedig hierna gebouwde kerkschip van Tytsjerk en de later toegevoegde toren vormen een stijlzuiver ensemble van de in de kerkbouw vrij zeldzame neorenaissance. De winkelpui die hij aan de Berlikumermarkt in het Eysingahuis aanbracht en zelfs de bewaard gebleven kastwand in de winkel hebben deze karakteristiek. In het kleine kasteeltje Martenastate in Cornjum kon De Groot zich vanzelfsprekend uitleven met elementen uit de oude state die uit de echte renaissanceperiode restten. De motieven uit de maniëristische Vlaamse variant met zuilen, timpanen en rolwerk past hij voor het eerst toe in het Diaconessenhuis en deze krijgt tijdens de eeuwwende in het oeuvre een hoogtepunt in het kleine bedrijfs- en woongebouw in de Maria Louisastraat. De neorenaissance past hij later, wanneer er al een stijlkentering in zijn werk heeft plaatsgevonden, nog toe in de representatieve Julianavleugel van het Sint-Anthony Gasthuis.

De kentering kwam precies met de eeuwwisseling. De neostijl liet De Groot achter zich om de nieuwe eeuw in te gaan met fris elan. Bij de bouw van een dubbel herenhuis aan de Markstraat in Sneek is het (intussen verminkte) linker pand neomaniëristisch versierd, terwijl het rechter, een nog in oorspronkelijke staat verkerende woning, in vernieuwingsstijl is aangepakt. Deze vernieuwingsstijl citeert niet meer uit bouwstijlen uit het verleden en leunt tegen de art nouveau of Jugendstil aan. Het is er een eenvoudige versie van, zonder de ruimtelijke beweeglijkheid en uiterlijke krullendecoraties. In het glas-in-loodwerk van het Marktstraatpand, ongetwijfeld uitgevoerd door het befaamde glasbedrijf Houwink in Sneek zijn art nouveau karakteristieken te zien, zoals ook in het tegeltableau van het zes jaar later tot stand gekomen Gabbema Gasthuis in Leeuwarden, mogelijk vervaardigd in de fabriek van Van Hulst in Harlingen. De vernieuwing bij De Groot zat vooral in de frisse materiaalkeuze en de decoratieve toepassing daarvan. Kleurige perssteen of verblendsteen, bij representatieve bouwwerken met accenten van kleurig geglazuurde steen, gingen een karakteristiek in zijn oeuvre vormen. Zelfs bij opdrachten voor eenvoudige volkswoningen wist hij deur- en raamopeningen en andere onderdelen te accentueren met sierlijk toegepaste bouwmaterialen van verschillende kleuren. Bij de Oud Indische buurt met de fronten aan het Noordvliet liet hij dat voor het eerst zien en het kreeg zijn apotheose in de Hollanderwijk, waar hij op advies van anderen ook een levendiger ruimtelijke en architectonische aanpak koos. Daarmee kan hij in Friesland stellig als voorloper worden beschouwd. De na de eerste wereldoorlog ontworpen werken onderscheiden zich nauwelijks van wat andere goede architecten maakten.

Peter Karstkarel